Smokkelaars en boteroorlog aan de grens
Op deze plek stond tot 1985 het douanekantoor van Sint-Margriete. Vandaag is het moeilijk voor te stellen, maar hier passeerden vroeger boeren, handelaars en dagjesmensen die de grens wilden oversteken. Toch verliep dat verkeer in een grensdorp niet altijd netjes via de officiële overgang. Want waar een grens is, duikt al snel smokkel op.
In de jaren na de Tweede Wereldoorlog was de streek het decor van een ware boteroorlog. De zuinige Hollanders aten vaak margarine, maar de meer bourgondisch aangelegde Belgen wilden echte boerenboter. Omdat die in België bijna twee keer zo duur was als net over de grens, trokken smokkelaars ’s nachts met kilo’s boter door de polders. In het begin waren ze te voet of met de fiets, maar tegen het einde van de jaren 1950 werd het spel spectaculairder. Smokkelaars gebruikten zware Amerikaanse wagens en het krekengebied werd het toneel van wilde achtervolgingen, waarbij kwistig met kraaienpoten gestrooid werd. Deze ijzeren pinnen waren zo ontworpen dat er altijd één scherpe punt naar boven wees, met een lekke band voor de achtervolgende commiezen als resultaat.
Terwijl de boteroorlog op volle toeren draaide, streed burgemeester Prudent Vanhyfte voor een officiële grensovergang. Hoewel Oostburg hier maar op een boogscheut vandaan ligt, moesten de inwoners van Sint-Margriete destijds een grote omweg maken via de grensposten van Strobrugge of Watervliet om legaal goederen over de grens te brengen. Het was een vreemde paradox: terwijl smokkelaars illegaal de grens overstaken waar ze maar wilden, moesten eerlijke burgers kilometers omrijden.
Dankzij het lobbywerk van de burgemeester kreeg het dorp uiteindelijk een eigen douanekantoor. Volgens de overlevering werd het geopend in de zomer van 1961. Dat moet dan wel vree rap gegaan zijn, want zoals blijkt uit de notulen van de gemeenteraad werd de bouwvergunning pas in augustus van datzelfde jaar goedgekeurd. Men was er blijkbaar zo gerust in dat het kantoor al in gebruik was voordat het papierwerk volledig rond was.
Het bescheiden gebouwtje kostte de gemeente een smak geld, maar het maakte het grensverkeer een stuk eenvoudiger. Het kantoortje was alleen op woensdag geopend, wanneer het marktdag was in Oostburg. Pas twee jaar na de opening, in 1963, kwam er door Europese maatregelen een einde aan de hoge invoerheffingen op boter. Van de ene dag op de andere was smokkelboter geen goudmijn meer en doofde de boteroorlog uit. De focus aan de grens verschoof vanaf toen naar de controle op accijnzen en identiteitspapieren.
Het kantoor bleef uiteindelijk tot 1985 in gebruik. In dat jaar werd het door de overheid gesloten omdat er volgens de statistieken te weinig passage was om de personeelskosten nog te verantwoorden. Het gebouw verdween uit het straatbeeld, maar de herinneringen aan de tijd van de commiezen en de ronkende Amerikaanse motoren in de nacht zijn hier nooit helemaal verdwenen.
